Eerste lezing Ex. 12, 1-8.11-14
Toen kwam die avond, die nacht, die anders is dan alle andere.
Het is deze nacht die Jezus en Zijn leerlingen herdachten op het Laatste Avondmaal.
Eindeloos leek het
dat het Joodse volk als slaven in Egypte hadden geleefd,
maar toen was Mozes gekomen, met een bevrijdende boodschap.
Hij bracht het woord van God en verkondigde dat ze bevrijd zouden worden.
Tien keer ging hij naar de Farao vragen of ze mochten vertrekken,
negen keer kwam de Farao op zijn belofte terug
en werd de verdrukking erger dan tevoren.
Toen was het genoeg geweest, nu zouden ze definitief vertrekken.
Maar dit moesten ze eerst nog doen…
Ieder Joods gezin moest een lam slachten
het bloed over beide deurposten strijken en over de bovenbalk van de deur.
Er was geen tijd om het brood te laten rijzen,
dus was er enkel brood zonder gist, ongedesemd brood, en bitter kruiden.
En zo moesten zij die avond eten, rechtstaande, de lendenen omgord, de voeten geschoeid,
de staf in de hand, gereed om te vertrekken.
Elk jaar klinkt het
‘ Jullie moeten deze avond blijven gedenken en vieren, elk jaar weer opnieuw,
ter ere van Jahweh, die jullie bevrijd heeft uit Egypte,
toen, en vandaag ook weer…’
Evangelie – Johannes 13,1-15.
Het paasfeest was op handen.
Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was
om uit deze wereld over te gaan naar de Vader,
en die de zijnen in de wereld bemind had,
gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe.
Onder de maaltijd, toen de duivel reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon,
het plan had ingegeven om Hem over te leveren, stond Jezus van tafel op.
In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven
en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde,
legde Hij zijn bovenkleren af,
nam een linnen doek en omgordde zich daarmee.
Daarop goot Hij water in het wasbekken
en begon de voeten van de leerlingen te wassen
en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen.
Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei:
“Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?”
Jezus gaf hem ten antwoord:
“Wat Ik doe, begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.”
Toen zei Petrus tot Hem: “Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!”
Jezus antwoordde Hem:
“Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.”
Daarop zei Simon Petrus tot Hem:
“Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.”
Maar Jezus antwoordde:
“Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen, tenzij de voeten,
hij is immers helemaal rein.
Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.” Hij wist immers wie Hem zou overleveren.
Daarom zei Hij: “Niet allen zijt gij rein.”
Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken
en weer aan tafel was gegaan sprak Hij tot hen:
“Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer,
en dat doet gij terecht, want dat ben Ik.
Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen,
dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven,
opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.”