Hij was onderpastoor in Erembodegem (3 juli 1989).
Om gezondheidsredenen nam hij ontslag op 1 juli 1993.
De uitvaartliturgie heeft plaats in strikte intimiteit.
[Ten Bos 1993]
Het doet pijn als iemand me zegt dat ik er goed uitzie...
...een artikel waarin Jos Beel Filip interviewt
(Kerk en Leven, nr.48, 17 december 1992, blz. 3)
Hoe reageerde u toen u van de ene dag op de andere en totaal onverwacht zwaar ziek werd?
Als je zo van de ene dag op de andere overschakelt van gezond-zijn naar ziek-zijn, kun je dat moeilijk geloven. Zo plots overvalt het je. Je bent er niet goed van. De eerste keer verbleef ik vijfenzestig dagen in het Universitair Ziekenhuis. Nu ben ik thuis bij mijn moeder, maar ik moet nog twee keer per week naar het ziekenhuis. Ik vind het erg jammer dat ik maar zo’n korte tijd medepastoor kon zijn in Erembodegem. Dat valt vooral tegen, omdat je als jonge priester nog zoveel wil verwezenlijken. Soms word ik opstandig en heel verdrietig.
Zou een beenmergtransplantatie u kunnen genezen?
Beenmergtransplantatie zit er voor mij niet meer in. Daarvoor heb ik te veel bloedtransfusies met vreemd bloed gehad. Ik had bloedplaatjes nodig. Deze dienen om het bloed te doen stollen. Of de geneeskunde me nog ooit zal kunnen redden, weet ik niet; hoewel ik het hoop. In feite hoop ik spontaan te genezen. Zo op een mooie dag als genezen te mogen opstaan. Ben ik ook niet zo plots ziek geworden? Het is een droom. Nog regelmatig krijg ik inspuitingen die de aanmaak van witte bloedcellen bevorderen. Laat ons hopen dat het toch ooit mag lukken dat ik weer gezond zal zijn. Het is erg om niets meer te kunnen doen. Ik droomde zoveel te kunnen doen in dit leven. Voorlopig kan ik het niet meer. Zal dat voor altijd zijn? Komt daar nooit verandering in? Ik weet het niet. Ik weet ondertussen wel dat nog veel andere jongeren hun droom zien instorten als gevolg van een ziekte. Als je ziek bent, verlies je ook een groot deel van het sociale leven. Je kunt er nauwelijks nog aan deelnemen. Vroeger had ik veel vrienden. Och nee, ze vergeten me niet, want ze sturen me nog af en toe een kaartje. Toch zou het natuurlijk veel beter kunnen. Het is niet meer hetzelfde als vroeger. Toen telefoneerden mijn vrienden me heel vaak, nu bijna nooit meer. Zo gaat dat nu eenmaal, als je al lang ziek bent. In het begin van mijn ziekte stond de telefoon nooit stil. Nu staat hij veel te lang stil om goed te zijn.
Hoe reageren de mensen op uw ziekte?
Het doet pijn als mensen je zeggen: je ziet er goed uit. Het is een dooddoener. Het wordt zo gemakkelijk gezegd. Het duidt op de onmacht van mensen om over de ziekte te praten. Velen hebben over mijn ziekte reeds hun conclusie gemaakt. Weten ze niet allemaal wat kanker betekent? En loopt dat vaak niet verkeerd af? Als ik in het ziekenhuis kom, ontmoet ik allerhande zieke mensen. Daar denk ik vaak diep na. De gedachte aan de dood speelt soms door mijn hoofd. Geen dokter zet er een termijn op. Als ze nu maar konden zeggen: over een paar jaar zal je genezen zijn! Dan zou ik tenminste weten waar me aan te houden. Nu leef ik in de grootste onzekerheid. Regelmatig wordt mijn bloed onderzocht. Als de uitslag slecht is, ben ik te neer geslagen. Af en toe is het beter en dan krikt me dat op.
Bent u als priester niet beter gewapend tegen ziekte? Kunt u niet gemakkelijker de ziekte aanvaarden?
Helemaal niet. Priesters zijn toch ook maar mensen zoals alle mensen. Ook al ben ik priester, toch stel ik me ook de vraag: waarom zo lijden als je nog jong bent? Ik vraag me ook af waarom zoveel mensen jong moeten sterven. In het ziekenhuis kom ik regelmatig in contact met een jongere van zeventien jaar en een kind van vier, die aan dezelfde ziekte lijden als mij. Met hen kan ik praten. We zitten op dezelfde golflengte. Je trekt je ogen wijd open als je zo’n jonge mensen ziet met dezelfde ziekte. Voor mij is het erg zinvol om met hen te praten. Als je ziek bent, krijgen de woorden een andere betekenis, omdat je als zieke de wereld anders bekijkt. Voor een zieke hebben zelfs de kleinste en de eenvoudigste dingen een grote waarde.
Hoe verlopen uw dagen?
De dagen kunnen inderdaad heel lang duren. Ik sta op, rust dan veel op het bed in de living. De hele dag luister ik naar de radio. Die is mijn gezel tijdens mijn ziekte. Zo gaat de tijd vlugger voorbij. De televisie is er ook nog, maar alleen in de avond. Ik heb het reeds gezegd, ik ben vaak heel verdrietig en voel me eenzaam. Gelukkig zijn er nog een aantal mensen, die heel dicht bij me staan en me bemoedigen. Vooral mijn moeder is daar sterk in. Aan zo’n mensen kan ik me optrekken.
Als jong priester moet u toch een ander godsbeeld hebben dan veel oudere mensen. Is God voor u een medelijdende God?
(Nu is het even wachten. Blijkbaar brengt mijn vraag hem wat in de war. Dan komt het langzaam en peinzend.) Als je zo ziek bent, stel je veel vragen over God. Voor mij is God géén straffende God. Mijn ziekte is geen straf vanwege God. In zo een God kan ik trouwens niet geloven. Of God met me meevoelt? (Weer volgt wat stilte.) Voor mij gaat het om een God die met mij meegaat in mijn ziekte. Het is echter in zo’n omstandigheden vaak moeilijk om met God bezig te zijn, zozeer neemt de ziekte je in beslag. Je stelt soms veel vragen. Bidden is voor mij ver van gemakkelijk. Toch bid ik regelmatig, maar zelden of nooit voor mijzelf. Ik vraag God niet dat Hij me zou genezen. Dat kan niet, want het kadert niet in mijn godsbeeld. Bidden om kracht om het vol te houden, ja dat wel. God bepaalt niet wanneer ik ziek moest worden en dus bepaalt Hij ook niet wanneer ik gezond zal worden of zelfs zou sterven. Ik heb het ook moeilijk, net als mijn moeder, met het aanroepen van bepaalde heiligen voor mijn genezing. Als ik toch nog eens in een eucharistie kan voorgaan, dan voel ik me meer dan ooit verbonden met alle zieke en eenzame mensen.