Kerstmis - Jaar A
25 december 2025
Lezingen
- Js 52:7-10 (God keert terug naar Sion)
- Joh 1:1-18 (Het Licht in de duisternis)
Homilie
Geachte Medegelovigen,
‘God keert terug naar Sion. Luister naar de bode die Zijn verschijnen aankondigt. De wachters van de Heilige Stad jubelen in koor, want met eigen ogen zien zij hoe de Heer zijn onderdrukte volk komt troosten en het in puin liggende Jerusalem verlossen. Tot aan de uiteinden der aarde zal men getuige zijn van het heil dat God teweegbrengt.’
Dat is de teneur van het Jesajafragment dat we in de eerste lezing mochten beluisteren, een visioen dat wonderwel past bij de diepere betekenis van het feest dat we vandaag vieren. Er staan meerdere passages in die zin bij onze goede oude profeet, met name in het tweede en jongere deel van het werk dat aan hem wordt toegeschreven. Nooit zijn die gedachten zo krachtig verwoord en op muziek gezet als in Georg Friedrich Händels aria uit zijn beroemd oratorium “The Messiah,” O thou that tellest good tidings to Zion (1) : “Gij die de heuglijke boodschap komt melden aan Sion, sta op, wees niet bevreesd! Verhef Uw stem en verkondig aan de steden van Juda: Hier is Uw God. Voor U is het Licht aangebroken en de glorie van de Heer is over U opgegaan” - Arise, shine, for thy light is come! U kan de aria gemakkelijk beluisteren via het internet.
Geestelijken zullen U weten te vertellen dat niet Kerstmis, maar Pasen het belangrijkste feest is van de christenheid, en zij hebben overschot van gelijk. Maar dat neemt niet weg dat voor ons, westerlingen uit het noordelijk halfrond, Kerstmis sinds mensenheugenis unieke, diep-religieuze gevoelens oproept. Misschien heeft het te maken met de intimiteit eigen aan de donkere winterperiode. Hoe dan ook, de Kersttijd kan mensen die het contact met de Kerk verloren of wat verwaarloosden, en ook velen daarbuiten, tot nadenken stemmen en troost bieden. En hebben we dat niet allemáál hard nodig in een wereld die niet alleen op moreel vlak stuurloos dreigt te worden?
Dat alles neemt niet weg dat ik me vandaag, en zeker op deze plaats, ongemakkelijk voel. Waarschijnlijk ben ik niet de enige in dat geval. Want hoe kan men, in een tijd als deze, met vertedering spreken over een kind, dat ca. zeventig generaties geleden werd geboren in voorzeker precaire omstandigheden, maar alleszins omringd door de liefde en zorg van zijn ouders, wanneer in het voorbije jaar, op een boogscheut daarvandaan, duizenden onschuldige kinderen brutaal van het leven werden beroofd of mentaal en lichamelijk voorgoed werden verminkt? Een antwoord daarop heb ik niet. En tóch is het ons aller plicht, als mens en als christen, de rug te rechten en door te gaan, al was het maar voor onze nakomelingen.
Eén lichtpuntje uit het afgelopen jaar is me wél bijgebleven, eigenlijk niet méér dan een symbolische, maar in mijn ogen wél positieve noot. Dat was de overbrenging van het lichaam van Paus Franciscus van het Sint-Pietersplein naar zijn laatste rustplaats in de Santa-Maria-Maggiore-basiliek aan de andere kant van Rome. Ik zie ze nog altijd voor mijn ogen, de vele duizenden langs het parcours die stonden te applaudisseren voor de witte wagen met de sobere lijkkist. Een van onze kleinkinderen, die in het voorbijgaan de beelden zag, dacht dat het om een koers ging.
Volgens critici was Franciscus nogal impulsief in zijn uitspraken en was hij in zijn ongeduld wel eens onderhevig aan korte woede-uitbarstingen. Maar hij was oprecht en droeg het hart op de juiste plaats. Dat voelen mensen. Zij kijken dwars door de façade heen en weten wie zij mogen vertrouwen en wie niet. Vergeet daarbij niet dat Franciscus elke avond, ook vanuit de kliniek, naar de pastoor belde van de bescheiden katholieke parochie in de Gazastrook. In zo’n gemeenschappen zijn dergelijke gebaren van onschatbare waarde.
Dit jaar, op respectievelijk 6 en 9 augustus, was het precies 80 jaar geleden dat Amerika atoombommen dropte op Hiroshima en Nagasaki. Nagasaki had de grootste concentratie aan katholieke christenen in een overigens boeddhistisch en shintoïstisch Japan. Jaren geleden zag ik een reportage over de zwaar verminkte stad kort na de fatale gebeurtenis. De beelden waren van slechte kwaliteit en vielen nogal donker uit, maar ze gingen door merg en been. Ik herinner mij de meisjes in witte communiekleren bij kaarslicht in een duistere kerk (de kathedraal?). Het was de eerste Kerstmis (wellicht de nachtmis) na de bom. Met hun frêle stemmetjes zongen ze het Adeste Fideles, of was het misschien Stille Nacht? De kinderen met hun kaarsjes – tere overlevenden van de gruwel – deden mij beseffen dat, alle barbarij ten spijt, het Leven sterker is dan de Dood; het Licht, zelfs het kleinste, sterker dan de Duisternis. En is het niet precies dát wat de Man uit Nazareth ons is komen duidelijk maken?
De evangelist Johannes – of de persoon die in zijn naam schreef – had dat begrepen. Kennelijk was hij één van de weinigen in zijn tijd. Volgens zijn beroemde Proloog (Jo. 1:1-18), die we zojuist als evangelietekst mochten beluisteren, was Jezus méér dan alleen de Christus [voor de Joden] en de Redder [vooral voor de Grieken], zoals Lucas (2:11) het formuleert. Voor Johannes was Hij ook en vooral de belichaming van de Logos, niet zozeer het ‘Woord,’ zoals de Nederlandse vertaling doorgaans luidt, als wel de absolute Rede, de Rede die tegelijkertijd het Licht is, het Ware Licht dat schijnt in de Duisternis en elke mens verlicht. Eenieder die zich voor dat Licht openstelt, zo staat er, krijgt het vermogen kind van God te worden.
Daar is het ons uiteindelijk om te doen: om het Licht dat Christus is en ons met God verbindt, om het licht dat straalt in de handen van kleine kwetsbare meisjes overal ter wereld. Met Jesaja en Händel, én met Johannes blijven wij zeggen, blijven wij zingen, zodat iedereen het horen kan: Arise, shine, for thy light is come. Want Gods Licht is altijd sterker dan gelijk welke Duisternis.
© Hans.Hauben@kuleuven.be
(1) ‘O thou that tellest good tidings to Zion, get thee up into the high mountain; O thou that tellest good tidings to Jerusalem, lift up thy voice with strength; lift it up, be not afraid; say unto the cities of Judah, Behold your God! O thou that tellest good tidings to Zion, arise, shine; for thy light is come, and the glory of the Lord is risen upon thee’ (naar Js 40:9 en 60:1).
Reacties
Om reacties te zien en te reageren op dit artikel moet je je eerst even aanmelden via het menu bovenaan. Tot gauw.