12e Zondag - jaar A
21 juni 2026
Lezingen
- Jr 20, 10-13 (Ik heb mijn zaak in Uw handen gelegd )
- Mt 10, 26-33 (Ieder die Mij bij de mensen belijdt, zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader in de hemel)
Homilie
Geachte Medegelovigen,
Vandaag (zondag 21 juni) bereikt de zon haar hoogste punt. Vanaf nu worden de dagen weer korter. Rond het begin van onze jaartelling viel de zomerzonnewende iets later, namelijk op 24 juni. Toen de christenen zich begonnen te organiseren en hun eigen feestdagen ontwierpen, plaatsten zij op die cruciale dag het feest van de geboorte van Johannes de Doper, ook de “Voorloper” genoemd. Hij is de belangrijkste heilige na de Moeder Gods omdat hij het is die, als laatste profeet van het Oude Testament, de nakende komst van de Verlosser aankondigde. Zijn ereplaats op de kalender vormt de tegenhanger van Jezus’ geboorte op de winterzonnewende van 25 december, terwijl 9 maanden vóór Kerstmis, op de lente-equinox (25 maart), Jezus’ conceptie of eigenlijke menswording wordt herdacht.
In alle godsdiensten spelen kalenders en hun opeenvolgende seizoenen een essentiële rol. Bij de christenen is dat niet anders. Al vrij vroeg “bezetten” zij de cruciale punten van de kalender en stelden zij de opeenvolgende seizoenen in het teken van hun telkenjare herbeleefde heilsgeschiedenis.
Dat ik vandaag naar Johannes de Doper verwijs, is niet alleen omdat binnen enkele dagen zijn geboorte wordt gevierd. Het heeft ook te maken met de lezingen van vandaag, respectievelijk uit de profeet Jeremia en de evangelist Matteüs.
Iedereen weet in welke omstandigheden Johannes de Doper aan zijn einde kwam. Hij werd ter dood gebracht op bevel van Herodes Antipas, de tetrarch van Galilea en Perea, hetzij omdat hij kritiek had op diens ongeoorloofd huwelijk met een voormalige schoonzus (aldus de evangelies), hetzij omdat hij te populair werd bij het volk en Antipas zich bedreigd voelde (aldus de historicus Flavius Josephus).
Personen als Antipas waren en zijn nu eenmaal hypergevoelig voor kritiek en Johannes was iemand die alleen voor God zijn mond hield.
Wie evenmin hun mond hielden, ook al waren ze heel wat verfijnder dan Johannes en behoorden ze tot de hoogste kringen van de maatschappij, waren twee heren uit het Engeland van de vroege 16de eeuw. Uitgerekend morgen, 22 juni, ziet U hun naam op de kalender. Ook hen wil ik bij deze gelegenheid uitdrukkelijk vermelden.
De naam John Fisher zegt U waarschijnlijk weinig. Maar over het Kanaal is hij voor velen een symbool. Ook
zijn hoofd werd afgehakt, eveneens op last van een vorst, die in dit geval verstandig en belezen was, maar, zoals Antipas, duidelijk narcistische trekken vertoonde en hoe langer hoe onberekenbaarder werd. U raadt het al: we hebben het over de beruchte Hendrik VIII. John Fisher was een eminent geleerde, verbonden aan de Universiteit van Cambridge, en de koning liet hem tot bisschop van Rochester wijden. Maar toen de paus Hendriks huwelijk met Catharina van Aragon niet wilde ontbinden om de weg vrij te maken voor Anna Boleyn (en mannelijke nakomelingen), brak Hendrik met Rome en liet hij zich uitroepen tot hoofd van de Kerk van Engeland. Op die manier kon hij zijn zin doordrijven. Als enige bisschop van het land weigerde de populaire John Fisher de eed af te leggen op de zogenaamde Act of Supremacy en aldus mee in het schisma te stappen. Het zou hem letterlijk de kop kosten. Zijn onthoofding greep plaats precies op 22 juni 1535 op Tower Hill in Londen. Omdat het feest van Johns patroonheilige er zat aan te komen en het volk, dat ook niet dom was, duidelijk de vergelijking maakte met Johannes’ executie, liet de koning, uit angst voor rellen, John nog vlug vóór 24 juni terechtstellen. Om dat volk verder te paaien, werd John niet geradbraakt of verbrand, maar op een korte, efficiënte en minder wrede manier ter dood gebracht. Maar de onthoofding wakkerde onbedoeld de gelijkenis met Johannes weer aan. Ter afschrikking werd Johns hoofd op een piek gestoken en op London Bridge tentoongesteld, tot het twee weken later werd vervangen door het hoofd van niemand minder dan de grote Thomas More, die op 6 juli hetzelfde lot had ondergaan.
Hoewel even geleerd als John Fisher, was Thomas More meer een man van de wereld. Hij genoot internationale faam, was goed bekend met Vlaanderen en sterk bevriend met Erasmus. Gepromoveerd tot Lord Chancellor van Engeland, werd hij de rechterhand en belangrijkste medewerker van de koning, die hij altijd oprecht trachtte te steunen. Maar als overtuigd katholiek – ook al had hij regelmatig kritiek op misstanden in de Kerk – weigerde hij, zoals John Fisher, de bruggen met Rome op te blazen.
Velen onder U hebben wellicht ooit de wat eenzijdige maar alleszins aangrijpende film “A Man for all Seasons” (1966) gezien en weten dus waar het over gaat. Of ze hebben het boek van onze streekgenoot Georges (Joris) Tulkens gelezen, een kwaliteitsroman die zeer dicht bij de historische feiten staat en een genuanceerd beeld schetst van een van de meest bewogen perioden uit onze geschiedenis, toen de wereld op zijn kop stond en helden en heiligen, lafaards en opportunisten elkaar voor de voeten liepen.
Hans Holbein de Jongere liet ons een prachtig portret na van de uitgebreide familie van Thomas More. Alle personen kunnen worden geïdentificeerd, maar dat gaan we hier natuurlijk niet doen. Thomas zelf zit in het midden. U herkent hem aan zijn ambtsketen van Kanselier van Engeland. De man in het rood is geen kardinaal, maar gewoon Thomas’ vader, Sir John, een jurist die zijn zoon vanaf diens jeugd is blijven aanmoedigen. Aan de andere kant staat Thomas’ enige zoon John, genoemd naar grootvader. Helemaal vooraan rechts (met geopend boek) zien we Margaret, de oudste dochter uit Thomas’ eerste huwelijk (met Jane Colt). Bijzonder begaafd in een tijd waarin van vrouwenrechten nauwelijks sprake was, kreeg Margaret van haar vader een gedegen intellectuele vorming. Hem zou ze tot op het laatst bijstaan tijdens zijn gevangenschap. Uiterst rechts zien we Alice Middleton, Thomas’ tweede vrouw. De rest zijn kinderen, aangenomen kinderen, schoonkinderen, enzovoort. Ze woonden allemaal op zijn landgoed. De diepgelovige Thomas deed niet alleen aan beleid en diplomatie, evenmin als hij zijn vrije tijd uitsluitend aan gebed en het schrijven van geleerde werken besteedde.
Pas in 1935, vier eeuwen na hun executie, werden Fisher en More heiligverklaard door Paus Pius XI. Het siert de Anglikaanse Kerk en de openheid waarvan ze al geruime tijd blijkgeeft, dat ook zij John Fisher en Thomas More als heiligen erkent. Johannes de Doper, John Fisher, Thomas More, zij illustreren tot in de laatste consequenties wat de lezingen van vandaag ons wilden duidelijk maken.
Eerst beluisterden we Jeremia. Hij leefde rond 600 vóór Christus, eveneens in een uiterst moeilijke periode. Hij trad op onder de laatste koningen van het onafhankelijke Juda, van de hervormer Josia tot en met de machteloze Sedekia. Heel zijn leven stond Jeremia onder enorm zware druk, niet alleen vanwege fanatieke volksgenoten en eigengereide bewindslieden, maar ook vanuit zijn eigen, permanent knagend geweten. Terwijl het land van alle kanten door grootmachten werd bedreigd – Assyrië, Egypte, Babylonië – bleef hij, tegen beter weten in, pleiten voor een voorzichtige politiek, vooral ten aanzien van het inmiddels oppermachtig geworden Babylon. Maar het mocht allemaal niet baten. In 586 v.C. maakte hij de val mee van zijn geliefde stad Jerusalem én de verwoesting van Salomons Tempel. Uiteindelijk sleurden ze hem tegen zijn zin mee naar Egypte, waar we zijn spoor bijster raken. Het minieme stukje Oud Testament dat we vandaag te horen kregen, laat ons nauwelijks toe iets te bevroeden van de tegenstand waaraan de moedige maar getroubleerde en uitgeputte man telkens weer het hoofd moest bieden. Opgeven – en dat moeten we onthouden – stond echter niet in zijn agenda.
Het Matteüsfragment is, zoals de meeste evangelieteksten, gemakkelijker te verstaan en behoeft weinig commentaar. Jezus is bezig met het geven van instructies aan zijn apostelen. Ze moeten goed beseffen, zo zegt Hij, dat ze het voorwerp van haat zullen worden en dat men ze vóór rechtbanken zal slepen omwille van wat ze verkondigen, Wie ze vertegenwoordigen en wat ze zijn. Maar ze mogen zich in geen geval door vrees laten bevangen, want degenen die hun naar het leven staan, zijn niet bij machte hun ziel te doden.
Het zijn gedachten waarvan rechtschapen mensen als Fisher en More doordrongen waren, lieden die ook de kracht bezaten naar hun overtuiging te handelen. Want ook zij herinnerden zich maar al te goed wat Jezus ooit had gezegd: “Ieder die Mij bij de mensen belijdt, zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen, zal ook Ik verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is.”
En, Geachte Medegelovigen, is het uiteindelijk niet dat wat telt?
(c) Hans.Hauben@kuleuven.be
Reacties
Om reacties te zien en te reageren op dit artikel moet je je eerst even aanmelden via het menu bovenaan. Tot gauw.