Lezingen: Vierde zondag van de veertigdagentijd | Kerknet
Overslaan en naar de inhoud gaan

Recent bezocht

Bekijk je recent bezochte microsites, auteurs en thema's
kerknet
  • Hulp
  • Startpagina portaal
  • Mijn parochie
  • Aanmelden of registreren
Menu
  • Startpagina
  • Kerk
  • Vieringen
  • Shop
  • Zoeken
Pastorale zone De Bron - Merchtem

Pastorale zone De Bron - Merchtem

  • Startpagina
  • Contacten
  • Kerken & vieringen
  • Zoeken
  • Meer
    • Kerken & vieringen
    • Zoeken
    • Kennismaking Parochies Doopsel Aanvraag doopsel Aanvraag van een afschrift uit het doopboek Vormsel Eucharistie Aanvraag misintentie Verzoeningsgesprek Ziekenzalving Huwelijk Aanvraag kerkelijk huwelijk Eerste communie Kalender catechese eerste communie 2025 -2026 Contactgegevens Samen op weg Startactiviteit SOW 11-10 Uitvaarten Reservatie 'Blauwe Zaal' in de pastorie. (Beveiligde pagina) Werkgroepen Gemeenschap in beweging Kerk & Leven De Bron Verhuur zalen Volg ons op Facebook

Lezingen: Vierde zondag van de veertigdagentijd

icon-icon-artikel
Gepubliceerd op donderdag 8 februari 2024 - 1:56
Afdrukken
Eerste lezing Tweede lezing Evangelie Commentaar bij de lezingen

 

Uit het eerste boek Samuël

1 SAMUËL 16,1B,6-7.10-13A

In die dagen zei de HEER tot Samuël:

“Vul een hoorn met olie:

Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet,

want een van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.”

Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht:

Die daar voor de HEER staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!

Maar de HEER zei tot Samuël:

“Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte;

hem wil Ik niet.

Want GOD ziet niet zoals een mens ziet;

een mens kijkt naar het uiterlijk,

maar de HEER naar het hart.”

Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor,

maar Samuël zei tot Isaï:

“Geen van hen heeft de HEER uitverkoren.”

Daarop vroeg hij aan Isaï:

“Zijn dat al uw jongens?”

Hij antwoordde:

“Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.”

Toen zei Samuël tot Isaï:

“Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel

voordat hij hier is.”

Isaï liet hem dus halen.

De jongen was rossig,

had mooie ogen en een prettig voorkomen.

Nu zei de HEER:

“Hem moet gij zalven: hij is het.”

Samuël nam dus de hoorn met olie

en zalfde hem te midden van zijn broers.

Sedert die dag

was de geest van de HEER vaardig over David.

 

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze

EFEZIËRS 5,8-14

Broeders en zusters,

Eens waart gij duisternis,

nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de HEER.

Leeft dan ook als kinderen van het licht.

De vrucht van het licht kan alleen maar zijn:

goedheid, gerechtigheid, waarheid.

Tracht te ontdekken wat de HEER behaagt.

Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken,

brengt ze liever aan het licht.

Wat die mensen in het geheim doen

is te schandelijk om er ook maar over te spreken.

Alles echter wat aan het licht wordt gebracht,

komt in het licht tot helderheid.

En alles wat verhelderd wordt,

is zelf “licht” geworden.

Zo zegt ook de hymne:

“Ontwaak, slaper,

sta op uit de dood

en Christus’ licht zal over u stralen.”

 

 

Uit het heilig evangelie van onze HEER Jezus Christus volgens Johannes

JJOHANNES 9,1-41

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.

 Zijn leerlingen vroegen Hem:

“Rabbi,

wie heeft gezondigd,

hijzelf of zijn ouders,

dat hij blind geboren werd?”

Jezus antwoordde:

“Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd,

maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.

Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft

verrichten zolang het dag is.

Er komt een nacht

en dan kan niemand werken.

Zolang Ik in de wereld ben,

ben Ik het licht der wereld.”

Toen Hij dit gezegd had,

spuwde Hij op de grond,

maakte met het speeksel slijk,

bestreek daarmee de ogen van de man

en zei tot hem:

“Ga u wassen in de vijver van Siloam,”

- wat betekent: gezondene.-

Hij ging ernaar toe, waste zich

en kwam er ziende vandaan.

Zijn buren nu

en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden:

“is dat niet de man, die zat te bedelen?”

Sommigen zeiden:

“lnderdaad, hij is het.”

Anderen:

“Neen, hij lijkt alleen maar op hem.”

Hijzelf zei:

“Ik ben het.”

Toen vroegen ze hem:

“Hoe zijn dan uw ogen geopend?”

Hij antwoordde:

“De man die Jezus heet, maakte slijk,

bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij:

Ga naar de Siloam en was u.

Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.”

Ze vroegen hem toen:

“Waar is die man ?”

Hij zei: “Ik weet het niet.”

Men bracht nu de man die blind geweest was

bij de Farizeeën;

de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend,

was namelijk een sabbat.

Ook de Farizeeën vroegen hem dus,

hoe hij het gezicht herkregen had.

Hij zei hun:

“De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen,

ik waste mij en ik zie.”

Toen zeiden sommige Farizeeën:

“Die man komt niet van GOD,

want Hij onderhoudt de sabbat niet.”

Anderen zeiden:

“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”

Zo was er verdeeldheid onder hen.

Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:

“Wat zegt gijzelf van Hem,

daar Hij u toch de ogen geopend heeft?”

Hij antwoordde:

“Het is een profeet.”

De Joden wilden niet van hem aannemen,

dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had,

eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.

Zij stelden hun toen de vraag:

“Is dit uw zoon,

die volgens uw zeggen blind geboren is?

“Hoe kan hij dan nu zien?”

Zijn ouders antwoordden:

“Wij weten, dat dit onze zoon is

en dat hij blind is geboren,

maar hoe hij nu zien kan, weten we niet;

of wie zijn ogen geopend heeft,

wij weten het niet.

“Vraagt het hemzelf,

hij is oud genoeg

en zal zelf zijn woord wel doen.”

Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden,

want de Joden hadden reeds afgesproken

dat alwie Hem als Messias beleed,

uit de synagoge gebannen zou worden.

Daarom zeiden zijn ouders:

Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.

Voor de tweede maal

riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest, bij zich

en zeiden hem:

“Geef eer aan GOD.

“Wij weten dat die man die Jezus heet, een zondaar is.”

Hij echter antwoordde:

“Of Hij een zondaar is, weet ik niet.

Eén ding weet ik wel:

dat ik blind was en nu zie.”

Daarop vroegen zij hem wederom:

“Wat heeft Hij met u gedaan?

Hoe heeft Hij uw ogen geopend?”

Hij antwoordde:

“Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd.

Waarom wilt gij het opnieuw horen?

Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?

Toen zeiden zij smalend tot hem:

“Jij bent een leerling van die man,

wij zijn leerlingen van Mozes.

Wij weten dat GOD tot Mozes gesproken heeft,

maar van deze weten we niet waar Hij vandaan is.”

De man gaf hun ten antwoord:

“Dit is toch wel wonderlijk,

dat gij niet weet vanwaar Hij is;

en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.

Wij weten dat GOD niet naar zondaars luistert,

maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,

dan luistert Hij naar zo iemand.

Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord,

dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.

Als deze man niet van GOD kwam,

had Hij zo iets nooit kunnen doen.”

Zij voegden hem toe:

“in zonden ben je geboren,

zo groot als je bent,

en jij wilt ons de les lezen ?”

Toen wierpen ze hem buiten.

Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had

en toen Hij hem aantrof, zei Hij:

“Gelooft ge in de Mensenzoon?”

Hij antwoordde:

“Wie is dat, HEER?

Dan zal ik in Hem geloven.”

Jezus zei hem:

“Gij ziet Hem,

het is Degene die met u spreekt.”

Toen zei hij:

“Ik geloof, HEER.”

En hij wierp zich voor Hem neer.

En Jezus sprak:

“Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen,

opdat de niet-zienden zouden zien

en de zienden blind worden.”

Enkele Farizeeën die bij Hem stonden,

hoorden dit en zeiden tot Hem:

“Zijn ook wij soms blind?”

Jezus antwoordde:

“Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben,

maar nu gij zegt: wij zien,

blijft uw zonde.”

 

COMMENTAAR BIJ DE LEZINGEN

Onze grenzen verleggen

De derde zondag van de veertigdagentijd heeft een stevig driegangenmenu voor ons in petto. Stevige kost – het gaat dan ook over eten en drinken. Het vraagt van ons enig doorzettingsvermogen om alle teksten recht te doen en niet te zwichten voor het luie oor. In de liturgie hebben we de tijd aan onze kant – haastige liturgie is slechte liturgie.

De lezing van Paulus staat een beetje apart. Maar de tekst is ontroerend mooi. Het is een ‘kleine paulijnse geloofsbelijdenis’. Vader, Zoon en heilige Geest vinden er hun plaats in hun onderlinge communio. Het hart van de belijdenis is de tweevoudig herhaalde zin dat de messias – Christus – voor ons is gestorven. Dat gold voor de christenen in Rome, maar het geldt ook voor ons die leven in deze gewelddadige eenentwintigste eeuw. Ook vandaag wordt Gods liefde in ons hart uitgestort, zodat wij telkens weer open kunnen staan voor het geschenk van Jezus’ leven.

De eerste lezing mag gelden als een opmaat voor het evangelie. We bevinden ons in de woestijn, en we lijden dorst. We komen in opstand tegen Mozes: we waren beter af toen we nog slaven waren! En Mozes neemt, ten einde raad, zijn toevlucht tot GOD. En juist wanneer we denken dat alles naar de vaantjes is, geeft de harde rots haar geheim prijs: stromend, levend water. En we drinken gulzig en verdringen de verwijten en twijfels van ons hart. We laven onze dorst, maar ons geloof is toe aan een opknapbeurt!

Die opknapbeurt valt ons ten deel in het verhaal over de Samaritaanse vrouw. De tekst is opgebouwd rond twee grote verhaallijnen: het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw aan de ene kant, en het gesprek tussen Jezus en de leerlingen aan de andere kant. De vrouw en de leerlingen zijn niet betrokken in elkaars gesprekken. Het geheel wordt voorafgegaan door een inleiding: Jezus reist door Samaritaans gebied en komt bij de stad Sichar, dicht bij ‘de put van Jakob’. De put is gegraven boven een bron. Op het heetst van de dag wil Jezus hier een rustpauze nemen. Terwijl de leerlingen op zoek gaan naar eten, raakt Jezus in gesprek met een Samaritaanse vrouw.

Het is Jezus die het gesprek opent, en wel heel vrijmoedig: ‘Geef Mij te drinken!’ De vrouw is verbaasd over deze toenadering en benadrukt wat hen scheidt: Hij is ‘Jood’, zij is ‘Samaritaanse’. Jezus wil echter voorbij komen aan de grenzen die mensen voor zichzelf trekken: ‘Als je nu eens wist wie het is die je om drinken vraagt!?’ De toon is gezet: het gaat over het geheim van de identiteit van Jezus. Wie is Hij? In verhaallijn A wordt die voor de Samaritaanse – en voor ons – verborgen identiteit geleidelijk aan ontvouwd, en wel in vijf stappen: eerst ziet de vrouw in Jezus een Jood, wat ieder gesprek bij voorbaat zou moeten afblokken (1). Daarna, waarna Jezus haar ‘levend water’ aanbiedt, vraagt ze zich af of Hij soms groter is ‘dan onze vader Jakob die ons de put gaf’ (2). Wanneer het gesprek vastloopt, brengt Jezus het plots op een dieper niveau: ‘Ga uw man halen!’, wat de vrouw tot de erkenning brengt dat Jezus een profeet is (3). Nu het gesprek weer is vlotgetrokken, kan Jezus de tegenstelling tussen ‘jullie Joden’ en ‘wij Samaritanen’ overwinnen door te spreken over wat een gemeenschappelijke manier kan worden om de ene GOD te aanbidden: door Hem te aanbidden ‘in geest en waarheid’. Deze nieuwe openheid brengt bij de vrouw het verlangen naar de komst van de messias naar boven. Het eerste hoogtepunt volgt: ‘Dat ben ik, die met u spreek!’ (4)

Hier wordt het verhaal doorkruist door de tweede verhaallijn: de leerlingen komen terug van de stad en bieden Jezus iets te eten aan. De leerlingen zijn verbaasd dat Jezus aan het praten was met een Samaritaanse vrouw, en dat geeft Jezus de kans om het gesprek de wending te geven die Hij wil: Jezus heeft andere spijs om te eten, namelijk ‘de wil te doen van zijn Vader’ en ‘het volbrengen van zijn werk’. Over welk werk gaat het? Over Jezus’ initiatief om de Samaritanen te betrekken bij Gods heilswerk. Hij heeft gezaaid, en spoedig zal blijken welke gevolgen dit heeft: alle inwoners van de stad komen op Jezus af omdat ze, na het verhaal van de Samaritaanse, Hem zelf willen ontmoeten. De velden staan wit van de oogst, en de leerlingen mogen maaien. Ze mogen voltooien wat Jezus begonnen is in het hart van de vrouw. Maar dit vraagt wel om een opknapbeurt van hun geloof, want ze moeten leren openstaan voor een nieuwe fase in het revolutionaire werk van Jezus.

Op het einde komen de twee verhaallijnen samen. De hele stad Sichar loopt uit om Jezus te ontmoeten. Jezus blijft bij hen, twee volle dagen. Die ontmoeting loopt uit op het tweede hoogtepunt, wanneer de Samaritanen belijden: ‘Deze is werkelijk de redder van de wereld!’ (5) Waarvan akte.

- Jean Bastiaens -

Bron: A-cyclus vierde zondag van de veertigdagentijd | Kerknet

Gepubliceerd door

Pastorale zone De Bron - Merchtem

Meer

Artikel

Deel dit artikel

Deel op Facebook
Deel op Twitter
Deel via e-mail

Lees meer

De spirituele dimensie in de zorg brandend houden © Freepik
readmore

Beroepsvereniging Zorgpastores

icon-icon-information
Cover van het boek Zeven kruiswoorden, verhalen uit de spirituele zorg © Otheo
Lees meer

Lanceringsavond boek Zeven kruiswoorden

icon-icon-evenement
Een gedeelde missie voor alle gedoopten
readmore

Gebedsintentie paus oktober 2024: voor een gedeelde missie

icon-icon-inspiratie

Recent bezocht

Bekijk je recent bezochte microsites, auteurs en thema's
© 2026 Kerk en Media vzw
Vacatures
Contact
Voorwaarden
YouTube
Twitter
Facebook