De Emmaüsgangers is de naam die in de christelijke traditie is gegeven aan twee van Jezus' discipelen. Volgens het Lucas-evangelie waren zij op de derde dag na Jezus' dood op weg van Jeruzalem naar het dorp Emmaüs. Maar onderweg krijgen ze gezelschap van een vreemdeling die ze ’s avonds uitnodigen om bij hen te blijven eten en te overnachten. En dan, aan tafel, worden de rollen omgekeerd. De vreemdeling wordt gastheer: Híj zegent het brood, Híj breekt het en deelt het uit. De verrezen Heer dringt zich niet op. Hij biedt zich aan, discreet. Geloven in Jezus betekent dat je Hem een plaats geeft in de intimiteit van je leven en je bewust wordt hoezeer Hij daar aan het werk is. Onze eigen verlangen en bijdrage tot dat geloofsavontuur zijn belangrijk. Toch komt het initiatief van de Heer zelf. Tot slot, het teken van de waarachtigheid van de ontmoeting met de Heer, is dat het in beweging zet. Je wil het delen met anderen. Je kan het niet voor jezelf houden. Telkens als je het brood van het leven breekt en deelgenoot wordt van de zorgen en de pijn van anderen, zul je Mij herkennen – zegt God – net zoals de leerlingen van Emmaüs Mijn Zoon herkenden. Wanneer je luistert naar het verhaal van kleine mensen, zul je op het spoor komen van Mijn verhaal. Je hart zal warm worden omdat je ervaart dat Ik van je hou en je zal warmte uitstralen omdat je in Mijn naam liefhebt. Die warmte wens Ik je graag toe – zegt God.
Moge die warmte in je binnenste een vuurwerk van tederheid ontsteken.