De duivel gaat steeds verder in de bekoringen. Eerst blijft hij nog in de woestijn om stenen in brood te laten veranderen, dan brengt hij Jezus op de dakrand van de tempel en tenslotte op een hoge berg, vanwaar Jezus alle rijken van de wereld kan overschouwen. Enerzijds is er het godsdienstige element (de tempel), anderzijds het wereldse (voedsel en politieke macht). Door Jezus op de dakrand van de tempel te brengen, bekoort hij Jezus om boven God te gaan staan. Driemaal verwijst Jezus naar woorden van God uit Deuteronomium. Hij steunt dus niet op zichzelf, kiest niet voor zijn eigen ego, maar wijst van zichzelf weg naar zijn Vader. Eenmaal gebruikt Jezus zijn eigen woorden: 'Ga weg, Satan!'. Hoeveel maal heeft Jezus tot op het kruis toe deze woorden gedacht en uitgesproken? Hij zegt met eigen woorden resoluut en op een gebiedende wijze nee aan het kwade en stuurt Satan, de chef van alle duivelen, weg. Verderop in het evangelie zal Hij nogmaals die woorden herhalen, als Petrus Hem wil afhouden van zijn lijden en dood. Petrus wil Hem, net zoals de duivel, afhouden van het ware Messiasschap, namelijk in het spoor te treden van de lijdende dienaar in Jesaja 52:13-53:12. De duivel spreekt Jezus aan op zijn ultieme roeping, die Hij ontving bij zijn doopsel in de Jordaan, namelijk Zoon van God zijn. Omdat Jezus ook ten volle mens was, kende Hij de bekoringen om dat Zoonschap voor zichzelf en zijn eigen grootheid te gebruiken. Maar Hij weigerde pertinent en steunde op zijn Vader en diens woorden.