Jozef, je eerste plicht, is je gaven te ontplooien die je zeker zijn gegeven wie, waar je ook mag zijn rijk, arm ziek, gezond in welke windstreek waar de Adem waait.
De tweede plicht, daarin besloten, bestaat hierin je gaven vruchtbaar door te geven als bronnen in één stroom als stenen in één bouw waar velen kunnen schuilen.
Wellicht klinkt deze simpele wens nog dromerig hoog voor grijperige leden van een samenleving die amper nog die naam verdient.
De kleine man van Nazareth heeft het vermogen met zijn geringe gaven de Gever van het nieuwe samenleven te hoeden, op te voeden tot de gegeven Mens.