Gij, God,
zijt uitgestorte Adem
in het diepste van mijn hart,
waardoor ik steeds naar boven
wordt gestuwd
als ik dreig te verdrinken.
Die beweging
komt niet van mij,
het zijt Gij zelf die duwt,
alsof Gij vecht
voor uw eigen leven.
Hoezeer gevoelens
bij momenten
aan mij trekken
en mijn hele horizon vullen,
wijken doet Gij niet.
Als vaste grond,
een schuilplaats
en mijn rots, zijt Gij.
Gij biedt vastheid
als ik mijn wortels
uitstrek in U,
Gij houdt me vast
als ik buig.
De zekerheid
zijt Gij,
dat ik niet breek.
Erik Galle
Uit: In de leer bij de monnik