Het was een feest waar al zeer lang naar werd uitgekeken. Niet alleen omdat de feestelijkheden niet konden doorgaan in de lente en uitgesteld werden naar het najaar. Nee, gewoon. Kijkt niet elk kind sowieso uit naar de eerste communie en het Vormsel? Eindelijk er écht bijhoren, mee aan de tafel van Jezus mogen gaan en … te weten komen hoe die hostie nu eigenlijk smaakt. Is niet elk kind opgewonden om eindelijk de zorgvuldig uitgekozen feestkleding aan te mogen doen en te mogen stralen voor familie, vrienden en de gelovigen van onze gemeenschap? En is het niet altijd uitkijken naar een feestmaal waarop de hele familie aanwezig is?
Groot was dan ook onze vreugde dat iedereen ook effectief aanwezig kon zijn. En dat de zon ook zo ruimhartig scheen en er een prachtige herfstdag van ging maken, hield nog een extra belofte in.
Dankzij de twee dopelingen, werden we bovendien nog eens heel goed herinnerd aan de doopbeloften, en het engagement dat wij als ouders aangegaan zijn. Er zijn voor elkaar, voor ons kind.
‘Want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade', zo staat het in Hebreeën.
En 'gesterkt worden', is dat niet de betekenis van het Vormsel? Want het Vormsel is nog iets meer dan in het openbaar de keuze bekrachtigen die je ouders voor je gemaakt hebben door je te laten dopen. Het Vormsel luidt het einde van de kindertijd in, de intrede in de volwassenheid. En van een volwassene verwacht men dat hij voor z'n keuzes verantwoording kan afleggen. Dat hij niet morgen dit en overmorgen iets anders wil nastreven. Dat hij geen halm is in de wind die naar elke kant kan buigen.
Je gesterkt weten, is dus bijzonder waardevol. Want dan kun je tegen een stootje. Echter, ook wie zich gesterkt weet houdt niet alles uit, hoeft niet overal tegen te kunnen. Wie overal tegen kan, is hard geworden.
Zo is het voor een volwassene een groot geluk wanneer een kinderhand zich in de zijne legt en ze vol vertrouwen vastneemt. Maar een harde hand kan men niet vastnemen. Een kind echter dat geen hand vindt om vast te nemen, dreigt een onzeker kind te worden, onzeker in de wereld, onzeker tegenover zichzelf. En uit louter onzekerheid kan het hard worden en in zichzelf gesloten.
En zo is iedereen eigenlijk aangewezen op een vaste, maar geen harde hand.
En dat vertelt ons het Vormsel, dat die hand, waardoor we ons gesterkt weten, er is, ergens, in het geloof, in God.
We gingen na de viering hand in hand de kerk uit. De trappen af. Het werd nog een mooi feest.
Frederika & Geraard