In de psalmen duiken terwijl je in een trappistenabdij verblijft, heeft het grote voordeel dat wat je hoort en bestudeert ook resoneert met wat je doet in de liturgie. Psalm 91, die in Orval tijdens de dagsluiting wordt gezongen (‘Quand je me tiens sous l'abri du Très-Haut …’) kan je er ‘vanzelfsprekend’ ontsluiten als een uitnodiging om te vertrouwen op Gods nabijheid: de monniken doen het ons elke avond voor!
Maar levendig waren ook de gespreksgroepen bij Psalm 42-43: de ervaring van ballingschap, van sarcasme en van hoop, zoals ze verpersoonlijkt worden rond de ‘smachtende hinde’, is blijkbaar herkenbaar voor wie probeert te geloven in deze tijd.
En ook de prachtige natuur uit de Gouden Vallei resoneerde, zeker toen scheppingspsalm 8 werd opengelegd. Veel aandacht in de gesprekken toch ook voor onze plaats in die schepping. Hoe eigenden we ons haar toe? De meeste dertigers proberen ecologisch bewust te leven, zo viel op. Dat terwijl de streek rond Luik onder water liep.
Psalm 51, die zo mooi met de deur in huis valt – de mens met het gebroken hart bij de barmhartige God – kwam dan weer helemaal tot zijn recht in de verzoeningsviering op zaterdagnamiddag.