‘Op hoop van zegen’, ‘hoop doet leven’, ‘ijdele hoop hebben’, ‘zolang er leven is, is er hoop’, ‘zijn hoop in rook zien opgaan’: een paar zegswijzen binnen onze taal waarin het woordje hoop voorkomt. Het gaat dan om een verwachting dat iets goeds, dat nog onzeker is en in de toekomst ligt, echt werkelijkheid wordt. Het is een woord dat ons mensen recht houdt als het moeilijk is en dat in Coronatijden wellicht al vaak geklonken heeft binnen onze gesprekken: ‘ik hoop dat ik niet ziek word. Ik hoop dat jij gezond blijft, dat mijn familie niets overkomt. Ik hoop dat we binnenkort weer kunnen samenkomen om te vieren. En ga zo maar door.
Wie of wat is het dat ons die hoop laat koesteren?
Hoop gesignaleerd
Onder deze titel staat in de kalender van Broederlijk Delen voor zaterdag 20 februari een prachtige tekst rond hoop. Hij geeft ons al een paar aanwijzingen rond de bron van onze hoop en daarom wil ik hem hier graag met jullie delen:
‘Hij vroeg me waarom ik bleef hopen? Ik moest dringend realistisch worden. Elke letter van dat woord ‘realistisch’ sprak hij tergend traag uit. Dit om zeker te zijn dat ik het niet alleen zou horen, maar het ook in praktijk brengen. De ervaring heeft me geleerd dat ik op zo’n moment beter zwijg. Wat ik vooral met hoop heb, is dat ik die niet zomaar wil opgeven. Hoop en koppigheid verbind ik met elkaar. De hoop opgeven, is hetzelfde als het weggooien van mijn bril om ver te zien. Dan wordt alles wat zich verder bevindt wazig en zie ik alleen maar wat er rondom mij gebeurt. Ik verlang ernaar op een dag hoop tot mijn eigendom te maken. Maar hoezeer hoop ook op me werkt als een magneet die me naar zich toetrekt, toch bereik ik haar nooit. Hoop werkt als het stretchen van de spieren. Niet mijn gewone spieren, maar mijn hartspier wordt er langer door, richting toekomst. Hoop is de grond waarin dromen worden gezaaid en kunnen groeien. Ik ben er zeker van dat God zijn droom ook in hoop heeft gezaaid. Dat is de beste grond om iets aan toe te vertrouwen. Maar hoe krachtig hoop ook is, ze kan niet zonder haar familie: geloof en liefde. Haar groeikracht heeft ze te danken aan de ontmoeting met iemand die haar voor waar aanneemt hoewel ze onzichtbaar is, iemand die haar liefheeft hoewel je haar niet kan aanraken. God heeft bij de schepping aan elke mens een hoeveelheid hoop meegegeven. Daarnaast gelooft Hij in elke mens en bemint Hij iedereen. Zijn hoop bestaat erin dat wij hierop antwoorden met ons hart.’
Met God vandoen.
Hopen heeft dus alles met God te maken zegt de tekst, Hij plantte het in ons hart. Het komt niet uit ons eigen kleine verstand voort maar werd in ons hart gelegd. Ze gaat samen met het geloof en de liefde. Hoop weerklinkt al in het Oude Testament. Men hoopt immers omdat er al hoopvolle dingen gebeurd zijn. Mensen mochten ondervinden dat God trouw is en zijn beloften nakomt. Je kan en mag op Hem rekenen. Dus mag je ook hopen. De hoop op redding was geen gokje van het Joodse volk. God had al getoond wie Hij was bij de bevrijding uit Egypte: dat is de basis van alle hopen in het Oude Testament. Maar de hoop wordt ook gebouwd op het nu, hoe je daarin nu leeft en handelt. God wil de mens ook innerlijk vrij maken en de hoop krijgt ook een innerlijke dimensie. Tot ook duidelijk wordt dat Gods beloften over alle tijd en grenzen heen gelden met ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. De hoop wordt universeel. Met Christus’ verrijzenis wordt de laatste hindernis genomen: de mens wordt uit de dood gered. De hoop vindt haar definitieve grond in de verrijzenis van Christus. De apostel Paulus spreekt er in zijn brieven voortdurend over: Christus is onze hoop.
Het kleine meisje hoop
Kardinaal Danneels had het vaker over de hoop. Hij wijdde er twee maal een Kerstbrochure aan: Over hoop en ontmoediging (1995) en Het kleine meisje ‘hoop’ (2009). Telkens citeerde hij Charles Péguy. Deze Franse schrijver heeft een bekend stukje geschreven over de hoop.
Daar waar de apostel Paulus in zijn eerste Korintiërsbrief schrijft dat van de drie grote deugden: geloof, hoop en liefde, de laatste de grootste is, zal Péguy de hoop een nieuwe plaats geven. Ik laat hem zelf aan het woord:
De deugd waar ik het meest van hou, zegt God, is de hoop.
Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.
Geloof en liefde zijn als vrouwen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt op tussen de twee vrouwen en iedereen denkt: die vrouwen houden haar bij de hand,
die wijzen de weg. Maar daarvan heb ik meer verstand, zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop dat al wat tussen mensen leeft,
hun heen en weer geloop, licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop - ,je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is het is dat kleine meisje hoop dat de mensen zien laat, zien soms even, wat in het leven mogelijk is.
Het geloof, zegt God, waar ik het meest van hou, de liefde waar ik het meest van hou, is de hoop. Geloof, dat verwondert me niet. Liefde, dat is geen wonder.
Maar de hoop, dat is haast niet te geloven. Ikzelf, zegt God, ik ben er van ondersteboven.
De kardinaal voegt er verder aan toe: ‘Geloof, hoop en liefde, de grote drie: ze kunnen elkaar niet missen. Het geloof ziet wat er al is, de hoop zegt wat er gaat komen; de liefde bemint wat er al is, de hoop houdt al van wat er zal zijn. Zou dan zeker voor onze tijd, de hoop niet de grootste zijn?
Oefenen in hopen
We zijn onderweg naar Pasen, feest van de Verrijzenis van Christus. Hierop bereidt de veertigdagentijd ons voor. Als die Verrijzenis, die overwinning op de dood, die bevrijding de diepe grond van onze hoop is dan wordt deze tijd is dus ook een oefentijd om de hoop die in ons gelegd is, op te delven, haar te herontdekken en te koesteren als een kracht om van te leven. In deze Coronacrisis hebben we nog meer dan anders nood aan dingen om ons aan op te trekken en het niet op te geven. Om te spreken en te handelen van de hoop die in ieder van ons gelegd is door de Heer. We hopen niet voor onszelf alleen, ze neemt alle mensen mee. Laten we mekaar dus meenemen en zien dat geen één achterblijft op de weg naar opstanding, naar leven.
Pastor Guido
Met dank aan de kalender van Broederlijk Delen
en de Kerstbrochure van Kardinaal Danneels, Over ontmoediging en Hoop (1995)