Toen een moeder met haar zoontje in een grootwarenhuis slenterde en langs een stapel maskers liep, vroeg de jongen: “Wat is dat, mama?”
“Dat zijn maskers, jongen, dat zetten de mensen op hun gezicht om carnaval te vieren.”
“Carnaval, wat is dat, mama?”
“Dat is een plezant feest vóór de vasten begint, zoals in Aalst, of in de helft van de vasten zoals in Halle.”
“En de vasten, wat is dat, mama?”
Hier stond die moeder even schaakmat. Wat antwoord je daarop?
“Vasten bestaat nu niet meer, jongen”, zei ze, en ze schrok van haar eigen woorden.
Bestaat de vasten nog?
Is de vasten dan werkelijk afgeschreven? Terwijl ze verder door het grootwarenhuis liep, bleef die vraag in haar hoofd hangen.
Vasten lijkt vandaag bijna onmogelijk. Het leven is jachtig, we werken hele dagen, de zenuwen staan gespannen. En dan nog vasten?
Trouwens, daar is Broederlijk Delen toch voor in de plaats gekomen? Een gift voor de derde wereld is de moderne vorm van vasten.
Maar toch voelde ze dat er iets niet klopte.
Jezus in de woestijn
Toen Jezus zijn openbaar leven begon, trok Hij eerst veertig dagen naar de woestijn: een plaats van bezinning, eenzaamheid en gebed, maar ook een oord van dood en ellende, de thuis van de duivel.
En ja, de duivel komt zich bemoeien met aanlokkelijke voorstellen en verleidingen.
Jezus moest een keuze maken.
Onze eigen woestijnmomenten
Elke mens wordt figuurlijk wel eens naar de woestijn gedreven, de plek waar alles ontbreekt wat overbodig is.
Soms is de woestijn een ziekbed, een ruzie of een zware tegenslag. Maar altijd is het een innerlijk gevecht om als mens te overleven.
Hoe kan vasten vandaag?
Een vishandel blokletterde: “Vastentijd: dé ideale tijd om vis te eten.”
Maar het kan ook anders.
Een voedingswinkel zou klanten kunnen wijzen op Max Havelaar of producten uit de Oxfam‑wereldwinkel, en zo sensibiliseren voor solidariteit over grenzen heen.
Er zijn mensen die vasten om mager te worden, maar je kan ook vasten omdat andere mensen te mager zijn.
Delen is moeilijker dan optellen
In de rekenles is delen moeilijker dan optellen of vermenigvuldigen. Bij veel rijke mensen lijkt dat in het leven ook zo te zijn.
De jaarlijkse veertigdagentijd wil ons aansporen om veertig dagen lang het moeilijkste te doen: van onze overvloed delen met anderen en het zelf met wat minder doen.
Laten we denken aan mensen die hun honger moeten stillen met een handvol rijst, die blij zouden zijn met de boterham die wij als “teveel” weggooien.
Laten we denken aan miljoenen mensen die ziek zijn van honger en ons zouden doen blozen als we naast hen zouden staan met onze dessertjes van één week.
Van “mijn” naar “ons”
Hoe dikwijls zeggen wij niet: “Dat is van mij!”
Waarom zeggen we zo zelden: “Dat is van ons.”
Als kinderen meer zouden delen en samen spelen, zouden ze betere vrienden worden.
Als volwassenen meer zouden delen, zou er minder ruzie en armoede zijn.
Vasten zeker? Vast en zeker!