In de Naam van God.
Hoe is dat in Godsnaam mogelijk?
Woorden met wortels

Beste parochianen van Lokeren en omstreken,
Als je even de radio aanzet, de krant openslaat of op het kerkplein een klapke slaat over de staat van de wereld, is de kans groot dat je het ergens hoort: "Hoe is dat nu in Godsnaam mogelijk?" We gebruiken het zinnetje te pas en te onpas. Soms uit pure ergernis als je autosleutels voor de zoveelste keer spoorloos zijn, soms uit totale verbijstering wanneer men wéér belooft dat het deze keer écht anders wordt. Het rolt zo vlot over onze tong dat we er nauwelijks nog bij stilstaan. Nochtans dragen we hiermee een stukje oeroude geschiedenis met ons mee dat diep geworteld zit in onze taal en cultuur.
Wie in de Bijbel gaat speuren naar de oorsprong van dit soort uitdrukkingen, komt al snel terecht bij een van de bekendste passages uit het Evangelie volgens Matteüs. In het slot van dat evangelie (Matteüs 28, 19) geeft de verrezen Jezus zijn leerlingen een laatste, niet misselijke opdracht mee: "Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest."
Oorspronkelijk was die 'naam van God' dus geen stoplap om je frustratie te luchten als de grasmachine weigert te starten. Het was een plechtige formule, een soort geestelijk paspoort waarmee je ergens binnentrad om te getuigen van een diepere waarheid.
Om te begrijpen hoe we van een doopformule bij een moderne kreet van ongeloof zijn beland, mogen we even naar de literaire context kijken. In de joodse en vroegchristelijke traditie was een 'naam' veel meer dan een handig labeltje om iemand op het schoolplein uit te roepen. De naam vertegenwoordigde de persoon zelf, zijn volledige autoriteit, macht en aanwezigheid.
Wanneer iemand in de Bijbel iets deed "in de naam van", betekende dat dat hij handelde in volmacht van de Allerhoogste. Het was de ultieme garantie van echtheid. Na verloop van tijd is dat vrome gebruik echter een eigen leven gaan leiden. Zodra iets zo heilig of absoluut wordt verklaard dat mensen er vreselijk van gaan duizelen, sluipt het woord 'God' de spreektaal binnen. Niet meer omdat we er een hemelse rechtszaak mee willen openen, maar simpelweg om onze verbijstering kracht bij te zetten. Het is een retorisch hoogstandje geworden: je roept de hoogste instantie van het universum erbij om te onderstrepen hoe onnozel de situatie eigenlijk is waarin je verzeild geraakt bent.
Je hoeft heus geen theoloog te zijn om te merken hoe springlevend deze uitdrukking vandaag nog is. Neem nu onze gang naar de supermarkt. Je staat aan de kassa, kijkt naar het totaalbedrag op het schermpje en denkt spontaan: in Godsnaam, hoe kan dat nu weer zo duur zijn geworden voor een karretje vol basisproducten?
Zelfs in de tuin, ergens achteraan bij het snoeien van die hardnekkige hagen die elk jaar weer als een tierelier de hoogte in schieten, durft de Godsvrucht al eens omslaan in pure wanhoop. Als je snoeischaar voor de zoveelste keer blokkeert in een dikke tak, is de uitroep nabij.
Het is eigenlijk prachtig te noemen. Zonder dat we er erg in hebben, houden we met z’n allen de Bijbelse traditie levend. Elke keer als we ons verbazen over de kleine en grote miserie van het leven, roepen we omhoog. Of het nu helpt tegen de duurdere levensduur of de weerspannige hagen, valt te betwijfelen. Maar het lucht tenminste lekker op. En dat is, in Godsnaam, ook al heel wat waard.