Als je over de duivel spreekt,
trap je hem op zijn staart.
Woorden met wortels

Beste parochianen van Lokeren en omstreken,
Je kent het ongetwijfeld wel. Je zit gezellig op een terrasje op de Markt in Lokeren, genietend van een deugddoende koffie met een pannenkoek. Je bent net uitgebreid aan het vertellen over die ene buurman die altijd zijn hagen net iets te laat scheert, en plots… staat de man in kwestie achter je. De koffie schiet prompt in het verkeerde keelgat. Op zo’n moment zeggen we in Vlaanderen steevast, met een ietwat betrapt lachje: "Als je van de duivel spreekt, trap je op zijn staart."
Vandaag de dag gebruiken we die uitdrukking telkens wanneer iemand waar we het net over hadden, onverwacht komt opdraven. Maar waar komt die mysterieuze staart vandaan? En waarom associëren we onze brave medemens meteen met “de prins der duisternis”? Voor het antwoord moeten we een flinke duik nemen in de geschiedenis van onze Kerk.
In de vroege middeleeuwen, toen de meeste mensen nog niet konden lezen of schrijven, was de Kerk de plek waar verhalen tot leven kwamen. De duivel was in die tijd geen abstract symbool van het kwaad, maar een heel concreet, angstaanjagend wezen. Op schilderijen en in beeldhouwwerken werd hij steevast afgebeeld met hoorns, bokkenpoten en – jawel – een lange, behaarde staart.
De uitdrukking zelf is eeuwenoud en hing oorspronkelijk samen met een diep religieus ontzag, of beter gezegd: angst. Men geloofde destijds dat woorden een magische kracht bezaten. Het loutere uitspreken van de naam van de duivel was al genoeg om zijn aandacht te trekken. Het was alsof je, door zijn naam te noemen, per ongeluk op zijn staart trapte die ergens onzichtbaar over de vloer dweilde. En, een duivel wiens staart gekneld zit, die reageert gegarandeerd. Hij verscheen dan prompt om onheil te stichten.
Om die reden probeerden onze voorouders de duivel te slim af te zijn door zijn echte naam te vermijden. Ze spraken liever over 'de boze', 'de heerser van deze wereld' of 'ginds achter'. Maar hoe kijkt de Kerk hier vandaag eigenlijk naar? In de officiële Catechismus van de Katholieke Kerk wordt de duivel gelukkig niet meer beschreven als een monster met een staart, maar als een gevallen spiritueel wezen. De Catechismus zegt hierover het volgende:
"De Schrift en de traditie van de Kerk zien in dit wezen een gevallen engel, die 'Satan' of 'duivel' genoemd wordt. De Kerk leert dat hij eerst als een goede engel door God geschapen is. 'De duivel en de andere demonen zijn immers door God als van nature goed geschapen, maar zij zijn door zichzelf slecht geworden.'" (Catechismus van de Katholieke Kerk, 391)
Het gaat dus om een spirituele realiteit van rebellie tegen God, al vonden onze middeleeuwse voorouders die staart waarschijnlijk een stuk makkelijker te begrijpen tijdens de zondagspreek!
Gelukkig zijn we die middeleeuwse angst kwijtgeraakt en is de uitdrukking vandaag vooral een ludieke manier om een toevallige ontmoeting te bezegelen. Stel je voor: je zit thuis in de zetel en je zegt tegen je partner: "Weet je wie we lang niet meer gezien hebben? Onze nonkel Marc." Nog voor je de zin hebt uitgesproken, rinkelt de telefoon. Je neemt op en jawel hoor: nonkel Marc aan de lijn om te vragen of de rabarber in de tuin al geoogst mag worden. "Als je van de duivel spreekt..." zeg je dan met een glimlach.
Dus, beste lezers, de volgende keer dat je op de Lokerse Markt zit en er verschijnt plots iemand over wie je het net had: geen paniek. Je hebt de echte duivel niet opgeroepen, en er is geen staart in de buurt om op te trappen. Het is gewoon een mooi staaltje Lokerse gezelligheid, met een vette knipoog naar ons rijke katholieke verleden.
Geniet nog van jullie koffie, en tot de volgende keer!
Orlando Garcia Duarte